Heldere conclusie workshop BouwBeter: faalkosten bij bouwen in de zorg kunnen flink omlaag
19 november 2009
De schade voor de bouw in verband met faalkosten in de zorgsector wordt geschat op 6 tot 7 miljard. De zoektocht naar een oplossing is dus zeker een lonende onderneming. Voor alle partijen valt er veel te winnen. Zo luidde de conclusie van de goed bezochte workshop `Bouwen in de zorg zonder faalkosten’, op 12 november tijdens het Regieraad Bouw congres in Utrecht.
Faalkosten zijn van alle tijden, maar in de bouw zijn ze wel erg hardnekkig. En dat geldt wellicht des te meer voor de faalkosten in de zorgsector. Het onderwerp staat daarom hoog op de agenda van opdrachtgevers en opdrachtnemers. Dit bleek vorige week uit de belangstelling en de pittige discussie tijdens de workshop.
Bouwen in de zorg zonder faalkosten. Kan dat? Waar zitten die kosten precies? En hoe pak je dat dan aan? Met deze vragen worstelen de bouwpartners in het zorgvastgoed al jaren. Dat er iets moet gebeuren, daarover is was iedereen het eens tijdens de workshop.
Sommige projecten 20% duurder
Workshopleiders Dik Spekkink (Spekkink C&R), Johan Vijverberg (voormalig hoofd van de afdelingen Bouwzaken en Care van het College bouw zorginstellingen en beschermheer SBR BouwBeter) en Stan Vermeulen (bouwkostenexpert en directeur stichting Roges) schatten de schade voor de hele bouwsector op 6 à 7 miljard.
Bij zorgvastgoed bedraagt de strop jaarlijks tussen de 500 en 700 miljoen. Die schade is niet over alle locaties en alle instellingen gelijkelijk verdeeld. Soms blijft de stijging van de investeringskosten beperkt tot 3,5 procent, maar er zijn ook projecten die 19 à 20 procent duurder uitvallen.
Veel te verdienen
Er valt dus veel te verdienen, stelde Johan Vijverberg vast. “Als opdrachtgevers en opdrachtnemers dat samen zouden delen, kun je spreken van een aardig belang om samen te werken.” Sommige workshopdeelnemers hadden echter moeite om die kosten te traceren.
“De faalkosten moeten volgend jaar naar beneden. Dat is mijn opdracht. Alleen ik kan ze nog niet aanwijzen”, stelde het hoofd van een ingenieursbureau van een grote gemeente.
Samen kijken naar een gebouw
Heel concreet was daarentegen de projectleider van een innovatiecentrum. Zij werkte ooit in een verpleeghuis zonder achterdeur. “Als er dan tijdens een griepepidemie mensen overleden, werden de lichamen één voor één door de gangen vervoerd, waar alle huiskamers op uitkeken. Dat gaf een enorm depressieve sfeer. Volgens mij is dan de oplossing om in gesprek te gaan met degene die het gebouw gebruikt.” Een aannemer adviseerde om samen met de opdrachtgever te kijken naar de bedoeling van het gebouw. “Wat is het proces van de opdrachtgever? En doe daar dan een jas omheen.”
Faalkosten zitten eigenlijk overal
Spekkink maakte een onderscheid tussen smalle, middelgrote en brede faalkosten. Onder de smalle vallen zaken als de inefficiëntie binnen bedrijven, gebrekkig samenwerkende partners, technische mankementen, etc. De middelgrote faalkosten ontstaan door de verschillen in organisatievorm. Onder de brede faalkosten vallen alle kosten die pas naar boven komen in de exploitatiefase. “Ze zitten dus eigenlijk overal”, vatte Vijverberg samen. “In de voorbereiding, in het proces, in de uitvoering en in het ontwerp”. Vooral bij de bestrijding van brede faalkosten is veel winst te maken, meer dan bij de smalle.
Tijdens de workshop passeerden verschillende voorbeelden de revue van opdrachtgevers die niet in de gaten hadden dat het gekozen ontwerp desastreus zou uitpakken voor de exploitatiekosten. Volgens Vijverberg mag van de opdrachtnemer worden verwacht dat deze zich niet passief opstelt en standaard inzage vraagt in de business case. Vooral adviseurs zouden zich op dit punt principieel moeten opstellen. Geen inzage in de business case, dan ook geen advies. “Dan zeg je gewoon: zo doen we het niet. Ik doe het ook niet, hoor.”
Flexibel ontwerp
Van de kant van de bouwondernemers werd opgemerkt dat zij tijdens de uitvoering van PPS-projecten wel degelijk merken dat opdrachtgevers beseffen dat een ontwerp flexibel genoeg moet zijn om ook over 25 jaar nog te kunnen functioneren. Maar de grote sprong voorwaarts moet nog wel worden gemaakt. “Dat soort contracten is nog vrij nieuw. Ook wij weten soms niet precies wat de exploitatiekosten zijn, zeker niet op de langere duur. De financiering in het zorgvastgoed is veranderd. Er is geen vergelijkingsmateriaal. Dan moet ik ze overtuigen met een logisch verhaal. Ik kan dan niet zeggen: het kost zoveel per vierkante meter per jaar en dus ben je goedkoper uit.”
Vijverberg zag dat niet als reden om dan maar water bij de wijn te doen.
“De business case moet gewoon op tafel komen, zodat de opdrachtnemer mee kan denken over de manier waarop die kan worden verbeterd. Want als de routing en de logistiek verkeerd is, vergeet het dan maar.”
